Wedergeboorte
In Wedergeboren versmelten een vrouw en een haas tot één wezen. De haas verwijst naar vruchtbaarheid en levenskracht; haar blik naar de maan naar tijd, cycli en steeds opnieuw beginnen.
Op het eerste gezicht ziet het wezen er bijna vanzelfsprekend uit. Pas als je langer kijkt, begint er iets te wringen. De houding is niet helemaal menselijk, maar ook niet helemaal dierlijk. Ze lijkt tegelijk te hurken, te springen en te bevallen. En wat ze voortbrengt is al even vreemd: geen mens of haas, maar kikkerdril, dat op het blad onder haar valt.
Die onmogelijke geboorte is voor mij belangrijk. Wat je voortbrengt is niet automatisch van jou. Maar betekent loslaten ook dat je niet meer verantwoordelijk bent? De haas-vrouw zet iets in gang, maar heeft uiteindelijk niet in de hand wat het wordt.
Daarmee raakt het beeld aan een vraag die vaker terugkomt in mijn werk: hoe verhouden wij ons tot natuur, en wanneer wordt onze invloed toe-eigening? We gebruiken, sturen, beschermen en herstellen natuur vanuit onze eigen ideeën over wat goed of wenselijk is. Tegelijkertijd gaat natuur haar eigen gang en laat zij zich maar ten dele beheersen.
In Wedergeboren wordt het water letterlijk de onderstroom. Boven water verschijnt het nieuwe leven, maar je kunt nog niet zien wat erin zit of wat het zal worden. Wanneer het kikkerdril in het water terechtkomt, gaat de ontwikkeling buiten haar zicht verder. Zij heeft het voortgebracht, maar kan niet bepalen welke vorm het uiteindelijk aanneemt.
Daar zit de haas-vrouw zelf ook tussenin. Haar ‘bevalling’ houdt haar lichaam laag, dicht bij aarde en water, terwijl haar blik omhoog naar de maan gaat. Ze brengt iets voort, laat het los en blijft toch verbonden met wat ze in beweging heeft gezet.
Wedergeboren gaat voor mij over scheppen zonder te bezitten, over loslaten zonder je verantwoordelijkheid kwijt te raken, en over accepteren dat wat je voortbrengt iets anders kan worden dan je zelf had voorzien.

